advertentie google

Knorretje, Knorretje, heb jij het ook gehoord? Er is een kind geboren, vannacht in deze stal, zegt lammetje. Knorretjedoet verbaasd zijn ogen open, luid knorrend kijkt hij in het rond. Nee hoor, zegt hij lachend, ik sliep als nooit tevoren, zo heerlijk en zo diep, dus ik geloof er niks van. Maar knorretje, knorretje kijk dan eens naar die kribbe, dat kindje ligt hier te slapen en wij waren er echt bij, heb jij dan helemaal niks gehoord, ook niet de herders en de wijzen? Knorretje, oh mijn lieve knorrige knorretje, luister eens en kijk nog eens, dan zul je zien dat ik gelijk heb. Knorretje doet zijn ogen nog veel wijder open en kijkt verwonderd om zich heen, ja hij ziet een kribbe met een baby, ziet een man en ook een vrouw, maar geen herders en geen wijzen. Nou ik zie wel iets, zegt Knorretje, ik zie een baby met wat mensen, maar wat is daar bijzonder aan, die zie ik toch zo vaak, ik vind er niks aan. Maar Knorretje, Knorretje, moet jij eens heel goed luisteren, die herders en die wijzen hebben echt gezegd dat dit een Koning is die voor jou en mij gekomen is, nou dat is toch best speciaal? Geef maar toe Knorretje, geef maar gerust toe.
Hmmmm… wat zijn dat, herders en wijzen? Nou Knorretje, nu moet het niet gekker worden, dat weet jij toch wel? Herders zijn mannen die oppassen op de schapen in het veld, die ervoor zorgen dat ze niet weglopen en niet aangevallen worden door wilde dieren. Herders zijn goede mannen, zij letten goed op, zegt Lammetje.  Wat doe jij dan hier, vraagt Knorretje, ben jij misschien verdwaald? Nee hoor zegt Lammetje, de herder heeft mij naar deze stal gebracht om even uit te rusten van onze lange wandeling, Hij komt mij weer ophalen als we verdergaan. 

Maar Knorretje… Knorretje… luister nou even naar mij, die herders hoorden engelen zingen, echte engelen waren zomaar in de lucht te zien. Hmmmm ze zagen ze vliegen zeker, lacht Knorretje. Nee knorretje, geen gekke grapjes het is echt gebeurd, ze zagen engelen en die vertelden van dit kleine kindje, dit babytje, hoor je me wel Knorretje, versta je me wel, snap je wel wat ik zeg? De engelen vertelden van dat babytje, daar in die kribbe. Ja ik hoor je wel lammetje, hou op met dat gezeur, wat moet die baby in mijn voerbak, waar wordt mijn eten straks in gegooid, vertel me dat maar eens Lammetje? HèKnorretje houd nu toch eens op met dat gemopper, jij krijgt genoeg te eten en er zijn vast nog meer voerbakken, maak je daar maar niet druk om. Maar Knorretje, Knorretje, er waren ook wijze mannen bij, zegt Lammetje vrolijk. Wat zijn dat nu weer, moppert Knorretje. Nou wijze mannen zijn heel wijs en heel slim, ze bekijken alles heel goed, deze wijze mannen bekeken de hemel en zagen daar een prachtige ster, zo’n ster hadden ze nog nooit gezien en toen ze de ster bleven volgen kwamen ze hier terecht, bij ons Knorretje, bij ons. Nou wat wijs zeg, slim hoor, moppert Knorretje, maar wat schieten we ermee op met dit gekke verhaal, vertel me dat maar eens Lammetje?
Heel veel Knorretje, echt heel veel, want over dit kindje in de kribbe werd al heel lang geleden gesproken, het stond zelfs in oude boeken dat hij geboren zou worden en dat hij de wereld zou redden, zegt Lammetje blij. De wereld redden, dat is toch onmogelijk, dat kan toch niemand, dat kun jij ook niet Lammetje, ik geloof er niks van, belachelijk! Knorretje gaat weer liggen en sluit zijn ogen, hij is moe.

Knorretje, Knorretje, luister nog even, kom op, luisteren, roept Lammetje. Knorretje spitst zijn oren, zijn krulstaartje wiebelt vrolijk heen en weer en lachend zegt hij, nog even dan Lammetje, je krijgt nog vijf minuutjes en dan wil ik rollen door de modder en lekker slapen in het hooi. Jaja, zegt lammetje, ik zal snel zijn Knorretje. Dit kindje is de koning waar al heel lang over gesproken werd, niet zomaar een koning, nee hoor, dit is de Zoon van God. Knorretje kijkt verbaasd, is dat kleine kindje, dat baby’tje, de Zoon van God? Bedoel je met God de God die in de hemel woont, die alles en iedereen gemaakt heeft? Lammetje, dat is een sprookje, dat geloof je toch niet. En wie is die man dan, die daar bij dat kindje staat? Als dat niet de vader is wat doet hij dan bij dat kind? Die man, dat is Jozef Knorretje, Jozef is uitgekozen door God om hier op aarde voor dit kindje te zorgen en Hem de dingen te leren die andere vaders ook aan hun kinderen leren. Nou dan heeft deze baby Zijn Vader in de hemel niet eens nodig Lammetje, die is ook zo ver weg. Hoho Knorretje, de Vader in de hemel zorgt ook voor Hem en die leert Hem ook dingen, die leert hem hele andere dingen, hele bijzondere dingen, dingen die misschien wel niemand kan begrijpen behalve dit kindje. Toch klinkt het als een sprookje Lammetje, geloof jij dit echt? Ja hoor Knorretje, ik geloof het echt, het is toch een wonder dat een ster de wijze mannen naar de stal brengt en dat engelen vertellen van het kindje en dat ook de herders de stal zomaar kunnen vinden? Ik vind het echt een wonder Knorretje, ik heb toch gelijk knorretje, dat weet je best. Ja misschien heb je wel gelijk, nu ik er eens goed over nadenk, zou het best een wonder kunnen zijn, maar toch moet ik er een beetje aan wennen dat de Zoon van God zo dichtbij ons is, ik kan hem gewoon aanraken met mijn kleine varkenspootjes als ik wil, zegt Knorretje. Als je dat maar uit je hoofd laat Knorretje, dat kun je echt niet maken, zegt Lammetje verschrikt. Wat mag ik dan wel doen? Vraagt Knorretje met zijn allerliefste stemmetje. Knorretje je mag knielen voor dit kindje en Hem vertellen dat je van Hem houdt, dat is toch niet zo moeilijk, zegt Lammetje. Nee Lammetje dat is niet zo vreselijk moeilijk, maar wel een beetje gek. Dat is helemaal niet gekKnorretje, dat is juist lief en als jij voor Hem knielt en Hem vertelt dat je van Hem houdt dan hoor je bij Hem, dan wordt Hij jouw vriend, jouw Herder en zal Hij altijd heel goed op jou passen. Oh dat is lief, zegt Knorretje. Dan wordt hij mijn Herder, mijn eigen Herder die op mij past en voor mij zorgt? Dat wil ik heel graag. Knorretje staat op en loopt zo snel hij kan met zijn korte varkenspootjes naar de kribbe met het kindje en knielt neer en vraagt het kleine kindje om in zijn hart te komen wonen en vertelt Hem dat hij Hem een bijzonder kind vindt en van Hem houdt. En neem maar van mij aan dat dit kindje Jezus echt in Zijn hart kwam wonen en Hij wil ook in jouw hart komen wonen. Echt waar! Vraag het Hem maar!